Suikerziekte

Suikerziekte (diabetes mellitus), is een stofwisselingsstoornis ten gevolge van een te geringe of zelfs afwezige productie van insuline door de alvleesklier. Dit leidt tot een verhoogd gehalte aan glucose (suiker) in het bloed, waardoor er met de urine suiker verloren gaat. Dit laatste kenmerk verklaart ook de officiële naam voor suikerziekte (diabetes mellitus = honingzoet doorloop). Het hoge bloedsuikergehalte houdt tevens in dat er te weinig suiker in de lichaamscellen terechtkomt, waardoor deze op een andere manier aan energie moeten zien te komen. Suikerziekte komt veel voor, met name bij oudere mensen. Ongeveer 2% van de totale bevolking lijdt eraan. Hoewel suikerziekte geen erfelijke ziekte is, speelt erfelijkheid wel een rol. Als beide ouders suikerziekte hebben, is de kans groot dat een kind later ook suikerziekte zal krijgen. Dit geldt met name voor de zg. ouderdomsdiabetes.

Suikerziekte kan worden ingedeeld in twee typen: jeugddiabetes (type 1) en ouderdomsdiabetes (type 2). Jeugddiabetes begint vaak op kinderleeftijd of in de puberteit. De klachten ontstaan plotseling. Er wordt in het geheel geen insuline meer gevormd, zodat voor de behandeling altijd insuline injecties nodig zijn. De oorzaak is waarschijnlijk dat het lichaam antistoffen produceert die cellen van de alvleesklier aantasten. Ouderdomsdiabetes komt soms al op jeudige leeftijd voor, maar ontstaat toch meestal pas na het 40e jaar. Bij deze vormvan suikerziekte ontstaan de klachten zeer geleidelijk. Vaak is er sprake van overgewicht. De alvleesklier is niet in staat voor deze overtollige weefsels extra insuline aan te maken en er ontstaat een gebrek.

Bij ouderdomssuikerziekte is afvallen dan ook erg gunstig: als het gewicht afneemt, blijkt soms dat er toch nog wel voldoende insuline kan worden gemaakt. Ofwel: ouderdomssuikerziekte kan door afvallen soms verdwijnen. Bij mensen die aanleg hebben voor suikerziekte, kan door bijvoorteeld zwangerschap of door bepaalde geneesmiddelen (de pil, bijnierschorshormonen of plaspillen) de aandoening tot uiting komen. Na de bevalling of na het stoppen met de desbetreffende geneesmiddelen verdwijnen de verschijnselen, maar soms is dit slechts tijdelijk. In beginsel zijn de verschijnselen van beide vormen van suikerziekte gelijk. Overvloedige vorming van urine staat op de voorgrond. Dit is het gevolg van de suiker die in de urine wordt uitgescheiden; suiker ‘zuigt’ water met zich mee. Om dit vochtverlies tegen te gaan, moet er veel worden gedronken. Als hiervoor echter gezoete dranken worden gebruikt, worden de klachten alleen nog maar versterkt.

Vooral bij jeugddiabetes is het suikerverlies via de nieren zo groot, dat het lichaam vetten en eiwitten moet gaan verbranden om aan energie te komen. Dit leidt tot vermoeidheid, vermagering en bovendien tot een ernstige verzuring van het bloed (acidose). In ernstige gevallen kan hierdoor bewusteloosheid ontstaan. De afweer tegen infecties is sterk verminderd. Steenpuisten, urineweginfecties, ontsteking en jeuk van de vagina bij de vrouw of van de penis bij de man komen vaak voor.

Ziektekiemen gedijen namelijk goed in de met suiker doordrenkte weefsels. Andere verschijnselen van suikerziekte zijn wazig zien, impotentie en menstruatiestoornissen. Suikerziekte kan eenvoudig worden vastgesteld door het bloed en de urine op suiker te onderzoeken. In twijfelgevallen kan er een glucose belastingsproef worden verricht (GTT). Er wordt dan gekeken of de bloedsuikergehaltes te sterk stijgen na het eten van een vastgestelde hoeveelheid suiker. De behandeling van jeugddiabetes en ouderdomsdiabetes is voor een deel gelijk. In beide gevallen is een dieet van belang. Om het suikergehalte in het bloed niet te sterkte laten schommelen, zijn veel kleine maaltijden op regelmatige tijden nodig. Het is achterhaald dat diabeten snel opneembare suikers (jam, huishoudsuiker, gebak) moeten vermijden en over moeten gaan op het gebruik van speciale producten. Als een volkorenboterham wordt belegd met suiker, zal het brood de vertering zodanig vertragen, dat men voor een verstoring van het bloedsuikergehalte niet bang hoeft te zijn. Wel is het van belang het gebruik van vet te matigen. Het eten van veel volkorenproducten, groenten en fruit is wel gunstig.

Alcoholische dranken verstoren in het begin te veel een goede regeling van het suikergehalte; in een later stadium kan een matig gebruik geen kwaad. Om het effect van een dieet te vergroten, is regelmatige inspanning nuttig. Bij ouderdomsdiabetes is een dieet er ook op gericht om af te vallen. Een dieet is echter meestal niet voldoende om het bloedsuikergehalte onder controle te krijgen. Bij jeugddiabetes zijn altijd insuline injecties nodig. Veel mensen met suikerziekte leren zichzelf injecties geven. De aanwijzingen over de hoeveelheid insuline en de tijden waarop injecties moeten worden toegediend, moeten nauwkeurig worden opgevolgd.

Steriel werken is erg belangrijk, aangezien er op de injectieplaatsen anders gemakkelijk infecties ontstaan. Met behulp van teststrookjes of apparaatjes die het suikergehalte in urine of in het bloed meten, kan iemand zelf controleren of de hoeveelheid insuline moet worden bijgesteld. Bij ouderdomsdiabetes zijn soms ook insuline injecties nodig, maar meestal kan worden volstaan met tabletten. Dergelijke geneesmiddelen stimuleren de alvleesklier om extra insuline te produceren. Met een goede regeling van het bloedsuikergehalte lukt het vaak de complicaties van suikerziekte te voorkomen of in ieder geval te verminderen. Wat betreft de acute complicatie doet iemand met suikerziekte er goed aan te bestuderen wat de verschijnselen zijn bij abnormaal hoog suikergehalte (hyperglykemie) en bij een abnormaal laag suikergehalte (hypoglykemie).

Op deze manier kunnen ontsporingen in een vroeg stadium worden ontdekt en kan tijdig deskundige hulp worden ingeroepen. De gevolgen van suikerziekte op lange termijn – na tientallen jaren – betreffen voornamelijk bloedvatafwijkingen. Ten eerste neemt de kans op slagadervervetting (atherosclerose) toe. Hierdoor kan een verhoogde bloeddruk ontstaan of een vernauwing van de bloedvaten in het been. Dit laatste veroorzaakt kuitkrampen, koude voeten en soms zelfs gangreen. Omdat zelfs kleine wondjes moeilijk genezen, is het bij iemand met suikerziekte van groot belang dat de voeten zorgvuldig worden verzorgd. Zo moeten teennagels niet te kort worden afgeknipt.

Andere bloedvataandoeningen betreffen de kleine bloedvaatjes in de ogen, nieren en zenuwen. Deze kunnen leiden tot klachten bij het zien (retinopathie), tot een gestoorde nierwerking (nierinsufficiëntie) of tot een gevoelloosheid (neuropathie). Voordat insuline beschikbaar was, was suikerziekte ongeneeslijk en vaak fataal. Met de moderne behandelmethoden is genezing weliswaar nog steeds niet mogelijk, maar wel zijn de kansen om een betrekkelijk normaal leven te leiden sterk toegenomen. Suikerziekte is dan ook geen belemmering meer om aan sport te doen, kinderen te krijgen of een verantwoordelijke positie te bekleden.