Alles over jouw lichaam

Categorie: Skelet

Bekken

De bekken zijn een deel van de bekkengordel die bestaat uit het heiligbeen en twee heupbeenderen en de verbinding vormt tussen de benen en de romp. Bij de mens en een aantal andere rechtopgaande zoogdieren vormt het bekken tevens een soort trechter waarin een deel van de ingewanden is gelegen. De bekkengordel geeft veel meer vaste steun aan de romp dan de schoudergordel. Het heupbeen (os coxum) bestaat uit drie onderling met elkaar vergroeide botten: het darmbeen (os ilium) boven achter gelegen, het schaambeen (os pubis) aan de voorzijde en het zitbeen (os ischii) aan de onderachterzijde.

De beide schaambeenderen zijn vooraan bij de schaambeennaad (symphysis) door kraakbeen met elkaar verbonden. Hierdoor is het, vooral bij een vrouw in de tweede helft van de zwangerschap, mogelijk beide bekkenhelften ten opzichte van elkaar te bewegen. Op de grens van zitbeen en schaambeen bevindt zich een opening (foramen obturatum) die is afgesloten door een vlies (zgn. verstopte gat). De drie botstukken van het heupbeen nemen deel aan de vorming van de kom (acetabulum) van het heupgewricht. De heupbeenderen vormen ook nog een gewricht met het heiligbeen (articulatio sacroiliaca) waarin nauwelijks beweging mogelijk is. De grenzen tussen de drie botstukken van het heupbeen zijn bij het kind nog duidelijk te zien, bij de volwassene echter niet meer.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen het grote en het kleine bekken. De beide bovenste uit elkaar staande delen van de darmbeenderen vormen het grote bekken, de onderste delen van de darmbeenderen, de zitbeenderen en de schaambeenderen, vormen het kleine bekken. Het scheidingsvlak tussen het grote en kleine bekken wordt de bekkeningang genoemd.

De bekkengordel is bij de vrouw breder dan bij de man. De benige wand van het kleine bekken wordt bij de vrouw baringskanaal genoemd. Reeds in het begin van de zwangerschap tracht de arts door metingen van het bekken aanwijzingen te krijgen of een normale geboorte kan plaatsvinden of niet.

De belangrijkste verschillen tussen het mannelijke en het vrouwelijke bekken zijn:

1. bij de vrouw heeft de bekkeningang een dwars-ovale vorm, bij de man is de bekkeningang meer hartvormig.
2. de hoek gevormd door de beide schaambeenderen (arcus pubis of schaamboog) is bij de vrouw 90 graden of meer, bij de man minder dan 90 graden.
3. de bouw van het bekken is bij de man plomper dan bij de vrouw.

De vorm van het bekken is in belangrijke mate bepalend voor de rechtopgaande houding van de mens. Bij de meeste mensapen (chimpansees enz.) is het bekken groot en buitengewoon lang. Daardoor geeft het veel minder steun dan bij de mens, bij wie het bekken als het ware verticaal samengedrukt is. De zijwaartse en voor-achterwaartse afmetingen zijn bij de mens groter dan bij de mensaap. Het grote en lange bekken van de mensaap verhindert om zo te zeggen het rechtopgaan gedurende langere tijd. Bij de mens en zijn directe voorgangers is het heupbeen breder en meer naar achteren geplaatst, zodat een grote aanhechtingsplaats beschikbaar is voor de bilspieren (musculus gluteus maximus, medius en minimus), die van elementair belang zijn bij het rechtop lopen en staan. Deze spieren kunnen zowel het heupgewricht in een vaste stand houden alsook (vooral de grote bilspier) het bekken achterover doen kantelen.

Bekkenbodem.

Het baringskanaal, de weg waarlangs het kind wordt geboren, bestaat uit een benig en een week deel. Het weke deel bevat de baarmoeder, de schede en de bekkenbodem. De bekkenbodem is bij de vrouw én bij de man opgebouwd uit een groep spieren in het verlengde van het benige bekken. Bij de vrouw vormt deze spiermassa het onderste deel van het baringskanaal en tevens de achterwand en zijwanden van het weke deel van dit baringskanaal.

De belangrijkste spier van de bekkenbodem is de oplichter van de aars (musculus levator ani), die vanaf de boogvormige peesband aan de binnenzijde van het bekken naar de aars loopt. Met enkele andere kleine spieren en peesbladen vormt deze spier een plaat. Door de vrouwelijke bekkenbodem komen van voren naar achteren naar buiten: de pisbuis (urethra), de schede (vagina) en de endeldarm (rectum). Tijdens de tweede periode van de baring, de uitdrijving van het kind, wordt de bekkenbodem naar beneden uitgerekt en uitgestulpt.

Bekkenmaten.

De maten van het bekken zijn in de verloskunde van grote betekenis. De arts kan door middel van deze maten nauwkeurig bepalen of het kind de weg door het benige baringskanaal kan vervolgen of niet. Als herkenningspunten worden uitsteeksels, knobbels e.d. van de bekkengordel gebruikt.

Aan het heupbeen kan een voorste bovenste darmbeendoorn (spina iliaca anterior superior) en een achterste bovenste darmbeendoorn (spina iliaca posterior superior) worden onderscheiden. De verbinding tussen deze beide uitsteeksels wordt de darmbeenkam (crista iliaca) genoemd. De onderste einden van de zitbeenderen zijn de zitbeenknobbels (tuber ischii).

Een belangrijk punt is verder de bovenrand van de eerste heiligbeenwervel, welke naar voren springt (promontorium). Ook het staart-been (os coccygis) maakt deel uit van het bekken, maar heeft slechts een beperkte beweeglijkheid. Staartbeen en heiligbeen vormen de achterwand van het bekken.

De bekkeningang is het vlak gevormd door de bovenrand van de schaambeennaad en de vooruitstekende eerste heiligbeenwervel. De zij grenzen worden bepaald door de ongenoemde lijn (linea innominata) van het darmbeen.

De bekkenuitgang is het vlak gevormd door de onderrand van de schaambeennaad, de zitbeenknobbels en het puntje van het staartbeen. Het bestaat uit twee driehoeken waarvan de gemeenschappelijke basis wordt gevormd door de lijn tussen de beide zitbeenknobbels. De toppen van de driehoeken zijn de onderrand van de schaambeennaad en de punt van het staartbeen.

De uitwendige bekkenmaten worden gemeten met behulp van een bekkenpasser, terwijl de inwendige meting geschiedt door middel van de vingers of door röntgenfoto’s.

Belangrijke inwendige bekkenmaten zijn:

1. de grootste dwarse afmeting dertien centimeter dit is de afstand tussen de verst verwijderde punten van de ongenoemde lijn.
2.de rechte afmeting (conjugata vera) elf centimeter dit is de afstand van de bovenrand van de schaambeennaad tot de rand van de eerste heiligbeenwervel.
3.de diagonale afmeting (conjugata diago-nalis) twaalfeneenhalve tot dertien centimeter dit is de afstand van de onderrand van de schaambeennaad tot de rand van de eerste heiligbeenwervel.

De bekkeningang lijkt enigszins op een brede ellips waarvan de langste afmeting dwars is gelegen, terwijl ook de bekkenuitgang min of meer de ellipsvorm heeft maar nu met de grootste afmeting in voorachterwaartse richting. De grootste afmeting van de bekkeningang staat dan ook loodrecht op de grootste afmeting van de bekkenuitgang. Dit is van betekenis voor de baring. Bekkenbeweging. In het heupgewricht kan het bekken vooroverkantelen (anteversie) en achteroverkantelen (retroversie). Door spierwerking is ook een beweging van het bekken in zijdelingse richting mogelijk (lateroversie). De heupspieren aan de voorkant van het bekken en dijbeen kunnen het bekken voor-overkantelen. De bilspieren kunnen het bekken zowel achterover als zijdelings kantelen. te bewegingen in het gewricht tussen heiligbeen en darmbeen zijn slechts gering in omvang.

Het vooroverkantelen van het bekken gaat gepaard met een zelfde beweging van de romp. Als de beweging door spieren van de voorkant van het bovenbeen aan de gang is gezet, wordt een tegenkracht uitgeoefend door de spieren aan de achterkant van de heup en het dijbeen; anders zou men voorovervallen. Deze spieren zorgen dan voor een zgn. anti zwaartekracht-werking. Bij het terugkeren in de rechte stand werken de spieren in omgekeerde richting. Kanteling van het bekken in zijdelingse richting vindt plaats aan één zijde, terwijl tegelijkertijd het been aan de andere zijde zijwaarts wordt geheven. Zowel de bilspieren als de spieren aan de zijkant van het bovenbeen zijn hierbij actief. Om vallen te voorkomen worden tegelijkertijd tegenkrachten uitgeoefend door een aantal spieren van romp en buik. De bewegingen van het bekken vormen een onderdeel van de bewegingspatronen van lopen, staan, gaan zitten en opstaan.

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*