Alles over jouw lichaam...

Categorie: Skelet

Botweefsel

Het skelet is voornamelijk opgebouwd uit botweefsel. De taken van het skelet zijn: vorm en stevigheid te geven aan het lichaam, de inwendige organen te beschermen en doeltreffende bewegingen van het lichaam mogelijk te maken. Wil het skelet kunnen voldoen aan die eisen die eraan gesteld worden, moet het botweefsel hard en onbuigzaam zijn. Hardheid wordt verkregen door afzetting van kalkzouten en lijmstoffen in de tussenstof van het botweefsel. Omdat door deze massieve tussenstof het botweefsel erg zwaar zou worden, zijn de meeste beenderen van binnen hol.

Tussen botweefsel en kraakbeen bestaan aanzienlijke verschillen. Kraakbeen is indrukbaar en uitrekbaar, botweefsel is hard en breekbaar. Kraakbeen heeft geen bloedvaten, botweefsel is rijk doorbloed. In kraakbeen hebben de cellen geen contact met elkaar, in botweefsel staan de cellen met elkaar in verbinding door middel van talrijke kanaaltjes, die een belangrijke rol spelen bij de uitwisseling van stofwisselingsprodukten met het bloed.

Als de rest van het lichaam is vergaan, blijft het skelet over. Het skelet bevat kalk- en fosforverbindingen, die niet gemakkelijk worden afgebroken. Omdat de beenderen van een dode eeuwenlang bewaard kunnen blijven, is het skelet, en vooral de schedel, het symbool van de dood geworden.

Op afbeeldingen wordt de dood vaak voorgesteld als een skelet met een zeis in de hand.

Maar het skelet is op zichzelf zeker geen dood weefsel. Hoe levend en actief de botcellen zijn, blijkt wel uit het feit dat het skelet zich in minder dan twee jaar geheel vernieuwt.

Dat de botcellen, opgesloten in de harde tussenstof, toch zo’n actieve stofwisseling kunnen onderhouden, is te danken aan de speciale opbouw van het bot.

Deze opbouw begint bij de vorming van het botweefsel. In bepaalde delen van het lichaam ontwikkelen primitieve bindweefselcellen (mesenchymcellen) zich tot botvormende cellen (osteoblasten). Deze osteoblasten scheiden een speciale tussenstof af, de beenmatrix, waarin zich stevige bindweefselvezels bevinden.

De osteoblasten hebben talrijke lange uitlopers, waardoor ze met elkaar in verbinding staan. Na verloop van tijd zijn cellen en uitlopers geheel ingebed in de beenmatrix. De osteoblasten gaan dan kalkzouten uit het bloed opnemen, die ze afzetten in de matrix, vooral langs de stevige bind weefsel vezels. Dat noemt men de verbening.

Na de verbening trekken de osteoblasten, die dan opgesloten liggen in het harde botweefsel, hun uitlopers uit het botweefsels terug. Op deze wijze wordt daarin een netwerk van kanaaltjes gevormd, op de plaatsen waar eerst de uitlopers lagen.

Deze kanaaltjes bevatten weefselvloeistof en staan in verbinding met de haarvaten van de bloedsomloop in het bot. Door deze kanaaltjes kunnen de cellen, die nu botcellen (osteocyten) genoemd worden, stoffen uitwisselen met het bloed. Hierdoor blijft het bot levend weefsel, net als de andere weefsqls in het lichaam.

Na de vorming van zo’n harde beenkern kan het beenweefsel niet meer zoals andere weefsels van binnenuit groeien, maar alleen door toevoeging van weefsel aan de buitenkant.
Afzetting van nieuw botweefsel vindt plaats vanuit het kraakbeen (de groeischijven) of vanuit het beenvlies. Het beenvlies bevat namelijk primitieve bindweefselcellen, die zich kunnen omvormen tot osteoblasten. Over het algemeen zorgt het kraakbeen voor de groei van de botten in de lengte, en het beenvlies voor de groei van het bot in de dikte.

Bij botbreuken wordt het weefsel meestal hersteld door osteoblasten uit het beenvlies. Op de ingewikkelde manier van de botvorming gaan we hier niet verder in, evenmin als op de manier waarop oud botweefsel door nieuw botweefsel vervangen kan worden.

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*